Door Jan Bos in Echo’s 2001.4.4
Vroeger kwam je deze afkorting nogal eens tegen in advertenties; “Bezigheden Buitens Huis Hebbende”. Dit betekende meestal, dat iemand die een kamer te huur aanbood, zijn of haar huurder of kostganger het liefst zo weinig mogelijk zag. In tijden, dat er schaarste aan woonruimte was, prees de adverteerder, op zoek naar een kamer, zich soms aan met B.B.H.H. oftewel: ik ben niet vaak aanwezig! Eigenlijk had die afkorting in mijn jeugd betrekking kunnen hebben op bijna alle Renkumers, want wat waren die dorpsgenoten van zo’n 50- 60 jaar geleden vaak in de buitenlucht bezig! Vergelijk dat eens met vandaag-de-dag. Een paar van die activiteiten zullen we eens nader bekijken. Daarbij moeten we niet vergeten dat een groot deel van de Renkumse bevolking al een flink stuk van de dag doorgebracht had op de papierfabriek, de steenoven of bij een kleine baas. Werktijden van 8 uur per dag waren normaal en langer dan 8 uur helemaal geen uitzondering. Meestal liepen ze naar het werk of gingen op de fiets. Niks auto en niks parkeerproblemen of reiskostenvergoeding! Thuisgekomen van het werk en na een ‘bak koffie’ of een ‘kom thee’, wachtte de moestuin. Groenten en aardappels voor directe consumptie en voor overbrugging van de winter, waren belangrijk voor het gezin. Vooral in het vroege voorjaar gaf zo’n tuin veel werk: een vracht mest moest met de kruiwagen over het land worden verspreid en alles werd met de hand omgespit. Sla-, kool- en andijvieplanten werden vaak op de fiets “even” in de Betuwe gehaald. Uit de klei waren ze beter en als het met de regen niet wilde vlotten, werd alles met de gieter natgehouden. Als dan het spul geoogst kon worden, zag je hele families bezig met bonen plukken en aardappels rooien en rapen. Moeder de vrouw was dan wekenlang in de weer met de weck. Aan het einde van de zomer had een Renkumse

Renkum Bennekomseweg bij Everwijnsgoed Keijenberg, op weg om andijvie te spoelen. Foto waarschijnlijk ca 1935.
Ansichtkaart heruitgave De Jong gelopen 1983 Coll Leendert Bruil
Familie, die zichzelf een beetje respecteerde wel een paar honderd weckflessen vol in de kelder staan. Daarnaast nog een paar Keulse potten met andijvie, bonen in ’t zout en ook wel zelfgemaakte zuurkool. Als de andijvie ver genoeg gegroeid was om in te maken, zag je veel Renkumers met zo’n 200 toppen andijvie op de kruiwagen naar de beek tijden, helemaal op de Keijenberg. Daar werd. in het heldere water, de andijvie gespoeld. Na een paar uur op de knietjes, met twee handen in het ijskoude beekwater te hebben geflodderd, werden alle toppen weer netjes op de kruiwagen geladen. Er werd een schoon laken overheen gespannen en men toog huiswaarts om alles af te laden, te snijden en ‘in de pot te maken’. Heen en terug was toch al gauw zo’n 3 tot 5 kilometer lopen, maar ja. je was in de gezonde buitenlucht Als het werk gedaan was had je natuurlijk wel een hoeveelheid vitaminen in de pot om “U” tegen te zeggen.

Afbeelding: Familie van de Pol. Andijvie spoelen in de Keijenbergse beek. Oktober 1933. (Foto : Collectie Cees Burgsteyn).
Over gezonde buitenlucht gesproken: riolering was er in die tijd nog niet. Een bezigheid die 1 of 2 maal per jaar aan de orde kwam was het leeghalen van de beerput. Een enkeling kon het zich permitteren om Spitman te laten komen om het zaakje te laten leegzuigen. maar de doorsnee Renkumer klaarde het karwei zelf. De put werd open gegraven (het deksel zat meestal zo’n meter diep), een kuip werd op de kruiwagen gezet en dan scheppen maar. Dit gebeurde met een emmer, waaraan een lange steel zat. Als de put vol was. kwamen daar bij ons thuis 28 van die kuipen vol uit en alles werd keurig over het land verspreid. In de duurdere wijken noemde men dit ritueel ‘de put leeghalen’, in de minder chique buurten heette het ‘gieren’. Veel dorpsgenoten gingen echter in de naaste omgeving even zeggen ‘dat ze gingen stronten’ en dat betekende voor de buren: ramen en deuren een tijdje dichthouden. Na het werk werd de kruiwagen dan met sop schoongemaakt, ook al in verband met de andijvie natuurlijk.

Over het werk in de moestuin zou je heel lang kunnen schrijven, maar er was meer te doen. Een belangrijke bezigheid in de crisisjaren vóór en ook tijdens de oorlog was hout halen voor de winter. Kolen waren duur, op de bon of soms helemaal niet te krijgen. Daarom togen velen naar O.N.O., de bossen op de Keijenberg en zelfs helemaal naar de Buunderkamp om hout te halen. Afvalhout mocht meestal zo worden geraapt, maar ‘stompen rooien’, daar had je toestemming voor nodig. Er waren vooral in de oorlog nogal wat bomen omgezaagd voor het Duitse leger, waarvan de auto’s op gasgeneratoren liepen die met hout werden gestookt. De boswachter wees dan de achtergebleven boomwortels aan die uitgegraven mochten worden. Dat moest dan wel netjes gebeuren. De onmisbare kruiwagen ging mee en verder een ‘schup’. een aks (een grote bijl), een handzaag en een dik stuk touw, de strop genaamd. Nog zie ik mijn vader bezig. je kon aan zo’n afgezaagde boom niet zien hoe de wortels waren gegroeid. Af en toe zaten ze niet diep, 50 cm tot een meter en waren ze alle kanten opgegroeid, maar je had ook dennen die als een pin loodrecht naar beneden waren gegroeid, wel 1 ½ meter diep. En dan maar graven, rondom de boomstomp, rond en rond ging het. Tijdens het graven werden met een klein bijltje de zij wortels weggehakt, bijna onderaan gekomen kwam de strop eraan te pas. Deze werd met een lus om de bovenkant van de boomstronk gebonden, door de lus ging een paal en de graver ging, met de paal legen zijn schouder, eindeloos rondjes lopen om het gegraven gat. Net zolang, totdat er een ‘krak’ weerklonk ergens uit de diepte. Met behulp van kennissen of ook wel wildvreemden, die toevallig in de buurt aan het graven waren, werd het loodzware ding uit hel gat gehesen en op de kruiwagen gelegd. Vervolgens werd de kuil weer dichtgegooid, aangestampt en de rommel opgeruimd. En dan kon je met de buit op weg naar huis. Vaak ging de jeugd mee op deze expedities, om bosbessen of bramen te plukken of aanmaakhout te sprokkelen.
Maandag was vroeger wasdag. De Renkumse vrouwen waren dan al voor dag en dauw bezig. Wasmachines waren er nog niet en door velen werd de was nog met de hand gedraaid. Men stond dan wel een uur lang de was in een zelfgemaakte kuip heen en weer te draaien. Verder had je natuurlijk het wasbord. de wasplank en een borstel en soms een wringer. Ook kwam er, naast zeeppoeder, chloor uit een fles of een pakje en een zakje blauwsel aan te pas. Een hoek van de tuin was met gras ingezaaid en dat heette de bleek. Daar lag je was te bleken. Waslijnen liepen door de hele tuin en het was voor velen op maandagmorgen een sport om als eerste ‘de was aan de lijn’ te hebben, een spelletje dat wel eens ontaardde als er in de buurt een vrouwtje ‘van de overkant’ kwam wonen. Want in de Betuwe. daar hadden ze het uitgevonden. Die vrouwen (zei men in Renkum) stonden midden in de nacht op, om bij het krieken van de dag de was aan de lijn te hebben. Al die bezigheden in de buitenlucht hebben er wel voor gezorgd, dat de Renkumse jeugd er in die jaren warm bijzat en met schone kleren en een goedgevuld buikje naar school kon!
Geef een reactie