Renkum Fluitersmaat tekst met kaartje 1908 Bron HDR Coll Fien Bos

Gezondheidszorg in de 19e en het begin van de 20e eeuw

Gezondheidszorg in 19e en het begin van de 20e eeuw. Algemeen en in onze gemeente.

Door C. Burgsteyn in Echo’s van zes dorpen 2001.3.4

Het is misschien wel eens nuttig, dat we in een tijd waarin we
dagelijks via de pers worden geconfronteerd met de gezondheidszorg van heden, we ook nog even een terugblik
doen van die zelfde zorg in het verleden. Het idee hiervoor
kwam naar boven, toen ons lid Mevr. C. Klomp, in enkele
gemeenteverslagen van 1900/01 ook verslagen van de
toenmalige Gezondheidscommissie in onze gemeente ontdekte.
Na enig gesnuffel in verschillende bronnen betreffende de
toenmalige gezondheidszorg kwam dit artikel tot stand. En
misschien zult u na het lezen hiervan wel tot de conclusie
komen dat het nu zo slecht nog niet is.

Als aanloop hiertoe geef ik u allereerst enkele advertenties door
zoals men die begin 1900 nog in de dagbladen kon
tegenkomen.
“Tot het vullen van holle tanden is er geen heilzamer en
probater middel dan het TAND -PLOMBEERSEL van den
K.K. Hof- Tandarts Dr. J. G. POPP te Wenen, ‘ t welk ieder
zich zelf zeer licht en zonder pijn in den hollen Tand brengen
kan en dat zich dan vast met het overblijfsel van den Tand en
met het tandvlees verbindt, den Tand voor verder bederf
behoedt en de pijn stilt.

“GIMBORNS MAAGZOUT, vereenigt in zich de
eigenschappen van het Carlsbader, Emser en Marienbader
zout en bewijst uitmuntende diensten bij hoofdpijn, verstopping
en slechte spijsvertering, benevens de kwalen, die daaruit
voortkomen, zoals maagpijn, migraine, aambeien en in ’t
algemeen de ziekten, -waartegen men zich van laxeermiddelen
bedient. (In verzegelde dozen, a 60 cent).


“Verwaarloosde verkoudheid, Chronische bronchitis, Teering.
Hiervoor is een rationeele behandeling door de Teer –
Capsules De Guyot, Apotheker te Parijs”


ZALF HOLLOWAY.
Zweren die dagelijks vergrooten, etterbuilen die bij ieder uur
dieper worden, kunnen in der zelver martelender voortgang
gestuit en tot een gezonder werking gebracht worden, door het
gebruik deezer helende Zalf en zuiverende pillen.


DRUIVEN- BORSTSIROOP met Fenkelhonig.
Dit is geen zoogenaamd geheimmiddel; het bestaat uit
druivensuiker en Zwitserchen honig, met een aftreksel van
mout, orangebloesem en Fenkel.

Tot zover een greep uit enige advertenties welke allen de
gezondheid van, de goed betalende klant, tot doel hadden.
Persoonlijk voel ik mij toch het meest aangetrokken door de
druivensuiker- borstsiroop.
Zeker is, dat onze voorouders gewend waren om hun boontjes
zelf te doppen wat de bestrijding van hun kwalen betrof. Ze
waren echt niet gewend om voor ieder wissewasje naar de
heelmeester (dokter) te stappen. Maar ze hadden dan ook geen
medische industrie tot hun beschikking, om bij zich zelf of hun
kinderen, de “duvel uit te bannen”. Want bij al die kwalen zat
de duvel in het lijf. En die duvel moest worden uitgebannen.
Voor deze tijd gruwelijke zaken, maar die in die jaren ook zeer
zeker in onze gemeente voorkwamen.
Van alles vond men uit, in een tijd dat de medische wetenschap
nog helemaal geen wetenschap was. Zeker, er waren wel
mensen die begaafd waren met een kennis van natuurlijke
kruiden om bepaalde ziekten te genezen. Denkt u bijvoorbeeld
maar eens aan de schaapherders, die in hun dagelijks leven
dicht bij de natuur leefden en zodoende een enorme kennis
hadden opgedaan met geneeskrachtige kruiden. Maar
daarentegen werden er ook andere middelen toegepast, waar
we nu van griezelen.
Wat te denken van verkruimelde, hete aardappelen in azijn,
tegen spit. Een zwart kattenvel dragen op de plaats van reumatische pijnen, Zeker zal men door de warmte van een
dergelijk vel wat verlichting gekregen hebben, maar de kleur
zwart zal het hem echt niet gedaan hebben. En ook dat
kattenvel niet, want een gewone wollen doek zou misschien net
zoveel resultaat hebben gegeven.
Tegen rugpijn gebruikte men geraspte mierookswortel in een
linnen doek, gedragen onder de voetzolen, op de kuiten,
bovenarm en in de nek. Kuitkramp werd bestreden door het
dragen van een stuk ijzer op de kuit. En wat dacht u van een
doorgesneden rozijn op de plaats van een eksteroog. En zo zijn
er nog veel meer voorbeelden van kwakzalverij, waar we nu
alleen nog maar van griezelen kunnen. Maar de meeste van
onze voorouders geloofden er heilig in. Dit blijkt ook wel uit de
advertenties welke hiervoor reeds zijn weergegeven.
Maar langzamerhand kwam er enige verbetering in de
gezondheidszorg. Begin 1800 verschenen er reeds plaatselijke
ziekenhuisjes. Misschien is ziekenhuis wel een te mooi woord
voor dergelijke krotjes, waarin slecht enkele bedden een plaats
konden vinden.
Wat betreft de verpleging was het zo, dat zo’n 150 jaar geleden
de verpleging en verzorging van de zieken nog vrijwel geheel
in handen was van personen die daar nooit enige opleiding toe
hadden ontvangen. Heel langzaam kwam de overtuiging dat aan
deze scholing wat gedaan moest worden. In Duitsland was men
daarin al voorgegaan, want daar verscheen in 1832 reeds een
handleiding voor ziekenverzorger. Een vertaling van dit boek
verscheen in 1848 in ons land en dat onder de titel “Handboek
voor pleegzusters en ziekenoppassers”, door Dr. G. H. Meijer.
Naast uitvoerige beschrijvingen van o.a. het aderlaten, het
zetten van bloedzuigers en dergelijke zaken is in dit boek
ook een hoofdstuk opgenomen waarin een opsomming wordt gedaan
van de noodzakelijke eigenschappen waaraan in die jaren de
ziekenoppassers moesten voldoen. Een aantal van deze
eigenschappen worden hier weergegeven, maar allereerst wordt
in dit studieboek aangegeven waarom het stellen van een aantal
voorwaarden bij de aanstelling van een ziekenoppasser
noodzakelijk was.
“Het is beklagenswaardig te zien, welke menschen men veelal
als ziekenoppassers aanstelt. ledere vrouw, die aan de drank
verslaafd, leepogig, lam, kreupel, afgeleefd, in één woord, tot
niets meer in de maatschappij te gebruiken is, is evenwel naar
de meening der mensen nog goed genoeg voor ziekenoppasser.
Menschen die een eerloos leven hebben geleid, lediglopers,
deugnieten, deze allen schijnen aan velen nog geschikt voor
ziekenoppasser. Zoo is dit schoone edele beroep in een slecht
daglicht gekomen.”
Als we bovenstaande goed in ons opgenomen hebben, is het
wel duidelijk dat het in die jaren beslist geen pretje moet zijn
geweest om aan een dergelijke verpleger, of verpleegster, te
zijn overgeleverd. En we kunnen dan ook beter begrijpen,
waarom men bij het aanstellen van deze personen enige
voorwaarden ging stellen. Meestal werd dit verplegend
personeel aangesteld door de gemeentelijke instanties.
Hierna volgen enkele toelatingseisen voor een aanstelling tot
verpleegkundige.
“Een ziekenoppasser mag nog te oud, noch te jong zijn.
Mannen tussen dertig tot vijftig levensjaren, vrouwen tussen 25
tot 50 jaar zijn de besten, “

“Hoewel het niet de hoofdzaak is, hoe iemand er uit ziet, maar
hoe hij denkt en handelt, zoo moet toch hij, die de zieken wil
oppassen, geen afschrikwekkend aangezigt of misvormde
trekken hebben, noch ‘wanstaltig zijn; de neus b.v. of een stuk
van de lip mag volstrekt niet ontbreken; want ofschoon het voor
dien mens zeer ongelukkig is, zonder schuld misvormd te zijn,
zoo mag hij nochtans in de nabijheid van zieken niet geduld
worden. Kranken zijn veel gevoeliger voor onaangename
indrukken dan gezonden, en hunne ziekte kan zelfs door een
walgelijk schouwspel verergeren.”
“Ook zij die eenen stinkenden adem en zweetende voeten
hebben, zijn voor ziekenverpleging ongeschikt. Mensen die van
zware ziekten hersteld waren, hebben ons verhaald, dat niets in
hunne ziekte hen meer gehinderd had, dan de voeten van hun
oppassers. “
“Die slecht ziet, begaat allerhande misslagen, en reik hem het
glas met urine, in plaats van het drinkglas. “
“Ofschoon men van eenen oppasser niet verlangen kan, dat hij
mooi schrijve en een aangename voorlezer aan het ziekbed zij,
zoo moet hij toch tenminste kunnen lezen en schrijven, en zo hij
ook niet kan schrijven, dan moet hij toch tenminste het gedrukte
en geschrevene kunnen lezen, om de briefjes, waarop het
gebruik der geneesmiddelen te lezen staat en aan dezelfde is
gehecht, te kunnen lezen en verstaan. Want men kan voor zeker
aannemen, dat iemand die zelfs niet lezen kan, in het geheel
geen onderwijs heeft genoten, en derhalve zeer ruw en
ongemanierd zijn zal.”
“Manhaftigheid is eene noodzakelijke vereischte voor hem, die
zich met ziekenverpleging wil bezig houden. Hij hoort het angstgeschrei, ziet het bloedstorten, moet water dragen,
sponsen toereiken, bloed afwasschen, de wonde zien, en toch
moet hij rustig en onverschrokken zijn. “
“Waakzaamheid en opmerkzaamheid. Dikwijls is een zieke in
de hitte der koorts uit het venster gesprongen, terwijl de
oppasser sliep.”
“Een oppasser, welke den neus optrekt, wanneer hij den
stoelgang des zieken wegbrengt, beveelt zich weinig aan. Hij
moet veeleer den stoelgang goed beschouwen, en onthouden
hoe hij er uit ziet en wat voor reuk er aan ist of hij dun of dik,
gebonden of ongebonden, helder of donker, geelbruin,
grauwachtig of bloederig is, of hij al dan niet onverteerbare
stoffen bevat, of eenen natuurlijken of in het geheel geenen reuk
heeft, of hij naar verrotting enz. riekt. Daarenboven zijn er nog
zoo veele andere walgelijke dingen aan de ziekenoppassing
verbonden, zoo als etter, weelderig vleesch, spoel en
lintwormen, enz.”

Tot zover een greep uit de vele voorwaarden waaraan een
ziekenoppasser rond de jaren 1850 moest kunnen voldoen. Ik
hoop dat u de moed op kon brengen het bovenstaande geheel
door te lezen.

Het ziekenhuis van Renkum / Heelsum
Na deze, misschien wel wat te lange inleiding, over de
gezondheidszorg in het algemeen, nog even de situatie in de
dorpen Renkum / Heelsum rond 1900. Het is omstreeks die tijd
dat de gezondheidszorg in de gemeente Renkum zich begon te
ontwikkelen. In 1872 werd te Oosterbeek de vereniging “De
Ziekenverpleging” opgericht. Het doel van deze vereniging was de behartiging van de gezondheidszorg in het algemeen, maar
ook het beheer en de exploitatie van het gemeentelijke
“ziekenhuis” aan de 2e Molenweg te Oosterbeek. Men had
hiertoe van de molenaar een drietal kamertjes gehuurd, waarin
een viertal bedden. Juffrouw Gerritsen verpleegde hier voor een
jaarsalaris van ƒ 104,- de patiënten. Enige tijd later kreeg zij
hierbij versterking en werd de gemeenteveldwachter en diens
vrouw in een nevenbetrekking aangesteld tot ziekenvader en
ziekenmoeder. Dit ziekenhuis heeft dienst gedaan tot 1900. In
dat jaar werd namelijk een nieuw gebouwd ziekenhuis aan de
Utrechtseweg geopend. Nu terrein van de J.P. Heijestichting.
Maar, inmiddels zijn de dorpen Renkum en Heelsum ook een
ziekenhuis rijk. Want, zo lezen we in een gemeenteraadsverslag
van 20 april 1899, dat de gemeenteraad van Renkum de
rekening 1898 van het gemeenteziekenhuis (zijnde een
barak) te Dorp Renkum goedkeurde. De inkomsten voor dat
jaar (1898) waren ƒ 276,95 terwijl als uitgaven een bedrag van
ƒ 213 stond genoteerd. Er was dus een batig saldo van ƒ 63,95.
Hierbij moet worden opgemerkt dat de conciërge naast de
huisvesting een salaris van ƒ 4,- per week ontving. Vreemd
genoeg wordt hier gesproken over een conciërge en niet van
verpleger of ziekenvader.
Ook wordt hier gesproken over een barak, terwijl het in
werkelijkheid een gedeeltelijk gesloopte boerderij was, waarvan
het overgebleven gedeelte geschikt was gemaakt als ziekenhuis.
Het is dan naar onze begrippen maar een klein ziekenhuis, want
het telt dan slechts twee bedden.
Als de eerste ziekenverpleger werd ene Bokschoten
aangenomen, die in het resterende gedeelte van de boerderij
ging wonen met zijn moeder. Later werd dit tweetal opgevolgd
door een zekere Anonymus, die werd aangenomen als
beheerder en ziekenverpleger voor het, voor die dagen, zeer
goede salaris van vier gulden per week, waarbij de huisvesting
nog was inbegrepen.
Maar, waar stond dit ziekenhuis dan wel precies?
Het stond in ieder geval in de vroegere “Litermaat”, en wel op
het terrein dat nu is ingesloten tussen de volgende wegen; het
westelijk gedeelte van de Th. De Bockweg, – de Lindelaan, – en
het westelijk deel van de Kuipersweg / Lindelaan. Op dit terrein
stond later op het zuidelijk gedeelte de (inmiddels ook al weer
gesloopte) Gelria Mavo, die plaats heeft gemaakt voor de
woningen aan de “Maria Johanna Philipseweg”.
Op bovengenoemd terrein stond reeds in 1745 een grote
boerderij. Want zo lezen we in een pachtovereenkomst uit dat
jaar : “Hier pachte Jan Janssen van Beeckhuisen voor een
bedrag van ƒ 600, ~ de hoeve, 2 gaandens boomgaard, berg,
twee schaapskotten, 2 schuren, een schaapsdrift en het
bouwland voor het huis.” Dit alles bijeenbedroeg ca. 25 hectare
land, wat voor die tijd een behoorlijk bezit was.
Het geheel had de naam “De Bouwingh des Maats” gelegen in
de Fluitersmaat. Verder wordt nog aangegeven dat de boerderij
gelegen was op het noordelijkste gedeelte van de “Katsheuvel”,
op de hoge wal, daar waar de Reymerweg aansluit op de Th. de
Bockweg. (dit is ongeveer bij de huidige woning Th. de
Bockweg 40, t.o. de J. Tooropstraat). De boerderij was niet
direct aan de weg gelegen.
Bekijken we de kadastrale kaart van 1832 dan zien we dat
hierop de boerderij wordt weergegeven als een bebouwing welke geheel is omgeven door eikenhakhout. Eigenares is dan
de weduwe van Otto Janssen.

Plattegrond van het dorp Renkum. Hierop staat het ziekenhuis
aangegeven, iets rechts van het midden. (Kaart collectie C. Burgsteijn).
Omstreeks 1897 wordt de boerderij gemeentelijk eigendom, en
gaat men over tot een gedeeltelijke sloop. Het overgebleven
gedeelte wordt dan geschikt gemaakt als ziekenhuis met
woning.

Renkum – Van Ingenweg, voorheen Fruitersmaatseweg
Rechts achter de boerderij lag het ziekenhuis. (Foto collectie C. Burgsteijn).

Travelers’ Map is loading…
If you see this after your page is loaded completely, leafletJS files are missing.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *