Deel 1. Door C. Burgsteyn in Echo’s van zes dorpen 2001.4.4.
Inleiding
Dicht hij de plaats waar al voor jaren terug de Hervormde pastorie
van het dorp Renkum aan de westzijde van het dorp stond, was in de
15e eeuw een gebouw aanwezig dat in die tijd in dubbele zin de
omgeving moet hebben beheerst. De reeds genoemde pastorie werd in 1930 verkocht door de Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente en sindsdien is bij de Renkumers deze woning bekend als de
“dokterswoning”, gelegen tegenover de Nieuweweg. Dit om u een
indruk te geven waar de geschiedenis van dit artikel zich in het
verleden heeft afgespeeld.
Westelijk van deze, nu nog bestaande, woning stond in de
Jufferswaard een klooster, dat in de wijde omtrek bekend was. Hoe
dit klooster er zal hebben uitgezien, zal wel nooit meer helemaal
duidelijk worden.
In de V.V.V. gids uit het jaar 1914 komen we nog een beschrijving
tegen van dit klooster van de hand van meester van Grol. Meester
van Grol was de eerste bekende historicus van het dorp en heel oude
Renkumers hebben mij wel eens verteld dat het een genot was om
in de klas naar zijn verhalen te luisteren. En ook al heeft de meester
dan ook dit klooster in al zijn schoonheid niet aanschouwd, maar als
rechtgeaard historicus zal ook hij zeer zeker in gesprekken met
oude Renkummers vele indrukken hebben opgedaan over dit
klooster.
Daar in de nu nog als zodanig bekende Kloosterweide stond dan een
gebouw met daken hoger dan de andere huizen in de omgeving. En
ook zijn toren was hoger dan de toren van de dorpskerk welke aan de
overzijde van de oude postweg naar Wageningen stond. Deze toren
zou nieuwe moed hebben gegeven aan de vermoeide reiziger, als zij
deze lorenspits aan de horizon zagen verschijnen. Want het was daar.
waar zij rust en lafenis konden vinden. Het klooster moet hebben
bestaan uit verschillende grote gebouwen, rond een binnenplein
waarop de kloosterkerk stond. Ook een kruidentuin was aanwezig,
terwijl een gedeelte van de tuin dienst deed als begraafplaats.
De cellen van de kloosterlingen waren zowel op de begane grond als
op de bovenverdieping en waren alle door middel van gewelfde
gangen verbonden met het koor van de kerk. Ook een boerderij was
aanwezig, het geheel was omgeven door een hoge muur, waarin de
toegangspoort.
Geschiedenis
Het is een kapel waar de vroege geschiedenis van het klooster mee
begint. Deze kapel was al heel vroeg op deze plaats aanwezig en
toen omstreeks 1380 er op wonderlijke wijze een Mariabeeld in deze
kapel verscheen, kreeg de kapel algemene bekendheid. Van heinde
en ver kwamen de bedevaartgangers naar Renkum.
Zij zochten rust en genezing bij hel beeld van de Moeder Gods. Een
herinnering hieraan is misschien wel het nu nog bestaande
Papenpad. Dat liep van Renkum over het landgoed Oranje Nassau’s
Oord naar Bennekom. Maar deze naam kan ook ontstaan zijn in de
periode dat ook op het kasteel Grunsfoort een geestelijke aanwezig
was.
Ook de overheid bleef niet achter, want de misdadigers uit die
dagen kregen wel eens opdracht tot een verplichte bedevaart naar de Renkumse kapel. Bekend is de zaak van Henriek Coek en Johan van Heelsum, die in 1440 te Arnhem een zekere Jacob van Lijnden
zonder enige redenen ernstig mishandelden.
Zij werden veroordeeld tot een bedevaart vanuit Arnhem naar Onze
lieve Vrouwe van Redichem.

O.L.V. van Renkum – XIVde Eeuw
Afbeelding : Mariabeeld uit de kapel van het St. Maria Klooster te Renkum.
(Foto: Collectie Cees Burgsteyn).
Maar ook in hel buitenland was de kapel bekend. Volgens overlevering schonk Koning Karel VI aan de kapel in 1410 een
stuk van het kruis des Heren en van de doornenkroon. Ook de vorsten van ons eigen land hadden een grote verering voor deze
kapel gelegen op de rand van de Veluwe.
Dit alles was aanleiding voor de Gelderse Hertog Reinoud IV om
toestemming te vragen aan de Utrechtse Bisschop Frederik van
Blankenheim om een klooster te mogen stichten bij de Renkumse
Kapel.

Bron : Hof van Gelderland, inventarisnummer4920.
(Foto : Collectie Cees Burgsteyn)
De reden van de Hertog hiervoor was de volgende:
“Overdenckende de groote devotie die sijne voorvaderen
hertoghen van Gelre en Graven van Zutphen gehat hadden tot
onser Lieven Vrouwen Capellen van Redichem, gelegen in zijne
landen van die Veluwe en willende deselfen in goede devotie
naervolghen door de groote begeerte, die zij hadde tot den heligen
gloriosen Heiligdom, dat in der zelver Capellen is ende oick omme
miracule ende tekene wille die daer geschiet sijn.”

Bron : Archief Rekenkamer, kaart no. 257.
(Foto : Collectie Cees Burgsteyn)
De Utrechtse Bisschop verleende op dit verzoek zijn toestemming
voor de bouw van een klooster. De kapel werd omgezet in een Regularissen klooster met en vrouwenconvent naar de orde van St.
Augustinus. De reeds gevestigde vicariën welke in 1390 in de kapel
waren gevestigd door Hertog Willem van Gulik gingen ook over
naar het klooster Deze vicariën waren ter ere van Johannes den
Doper en St. Catharina. Voor het onderhoud van de nonnen welke in
het klooster woonden, wees de Hertog verschillende hezittingen aan
waarvan de rente voor het onderhoud kon worden gebruikt. Ook
hiervoor moest hij toestemming vragen aan de Bisschop.
Het was op 12 november 1405 dat de oorkonde waarin de stichting
van het klooster tot stand komt, werd ondertekend. En Hertog
keinald IV kon met de bouw beginnen. Hiertoe kocht de Hertog van
acht verschillende eigenaren percelen grond aan voor een bedrag
van totaal 481 guldens. En op deze grond werd zoals het werd
omschreven “men dat cloester tot Redinchem op tymmert”.
De Augustijnerorde werd vertegenwoordigd door het klooster van
Geert Groote te Windesheim (1340 – 1384) waaruit het klooster te
Renkum, maar ook het klooster Mariëndaal te Oosterbeek, zijn
voortgekomen. Het was de Congregratie van Windesheim
(vereniging van kloosters) waarvan in 1395 de grondslag was
gelegd, die haar vertakkingen in de 15° eeuw naar verre streken had
uitgebreid. Uiteindelijk groeide het uit tot een vereniging van bijna
honderd kloosters. Men kan ze vinden in het bekende werk over
Windesheim van Acquoy.
Het was deze vereniging die het aan het klooster te Renkum
veroorloofde om zoveel bezittingen te hebben, dat de nonnen
onbezorgd konden leven en geldelijk niet gehinderd werden in de
verpleging van hen die dit nodig hadden. Zo konden ze zich zelf ook
veilig voelen en gelukkig zijn buiten de zaken van de aardse wereld.
Dit op de plaats waarvan men dacht dat hij door God zelf was
aangewezen als de plek waarin hij zelf ook welbehagen had.
Hertog Reinald had het bijzonder goed met het klooster voor. Dat
blijkt wel uit de vele schenkingen die hij aan het klooster doet. Zo
krijgt het klooster het recht om de Hartense beek om te leiden langs
het klooster. Dit ten gerieve van de kloosterlingen zoals staat
omschreven “tot haare wille ende nutte”. Ook schenkt de Hertog de
uiterwaard waarin het klooster is gelegen. Dit in ruil van een ander
vast goed, dat jaarlijks 20 oude schilden voor het klooster opbracht.
Maar in 1419 komt de Hertog hierop terug en schenkt de uiterwaard
in vrije eigendom aan het klooster. Deze uiterwaard werd
“Gerrikkensweerd” genoemd en bestond uit een aaneengesloten
gebied van weiland. In het noorden grensde de oude Postweg naar
Arnhem aan de zuidzijde de Rijn, naar het oosten de landen van De
Doorwerth en aan de west/ijde de weilanden langs de Wageningse
Berg. In totaal moet in de middeleeuwen het kloosterbezit ongeveer
40 ha. groot zijn geweest. Maar op de bezittingen van het klooster
komen we in een volgend artikel terug.
Bronnen;
Gelderse Volks-almanak 1876 Renkum.
Dorresteinbode september 1989 Het oude klooster te Renkum.
Veluwepost 6 augustus 1965, art. van W. v. d. Born.
Windesheim, J.G.J. van Booma 1979.
Cartularium O.L. Vrouwenklooster Renkum 1383-1609
Drs.J.J.Th.M. Tersteeg en Drs. W.F. Scheepsma
Katholiek Renkum/Heelsum door de eeuwen heen. J. Tersteeg.
V.V.V. Gids Renkum/Heelsun/Doorwerth. 1914.
Bijdragen en mededelingen Gelre Deel LXXX1 1990 Vijftig jaar Renkumse Kloostergeschiedenis in Wageningcn ca. 1596-1635
Jaques Tersteeg.

Geef een reactie