Door Jan Bos in Echo’s van zes dorpen 2001.4.4
We leven in een tijd van ATV, vervroegde uittreding, WAO en
brugpensioen. Vele beginnen, als hun 50e verjaardag nadert, er al
over te denken hoe ze hun carrière zullen gaan afbouwen. Af en toe
ontmoet je wel eens iemand, die net begonnen is met werken en dan
al over ophouden praat, maar gelukkig zijn dat uitzonderingen,
Willem Snoek, mijn overgrootvader, die had het echt goed voor
elkaar, zo’n anderhalve eeuw geleden streek hij in Renkum neer, na
vele jaren in de tropen die allemaal dubbel telden, dus met een goed
pensioen. Hij was toen nog geen 45 jaar oud en heeft misschien wel
zoiets gedacht van “bekijken jullie het verder allemaal maar”, al
bestond die uitdrukking toen misschien nog niet.
Zijn levensverhaal begint in Amsterdam, in november 1823. Onder
een bank bij het Aalmoezeniersweeshuis op de hoek van de
Prinsengracht en de Spiegelstraat. Johannes Oosterhoud, een
metselaar van 25 jaar oud, woonachtig in de Jordaan, vond hem daar
en belde aan bij het weeshuis. De portier, ene Pijpers, ontfermde
zich over de baby. Samen met Johannes en één van de regenten van
het weeshuis, de heer Rentezinsen, werd er een Proces Verbaal
opgemaakt. “Na gissing” werd de leeftij d op 8 dagen gesteld en zo
kreeg het kind de geboortedatum van 17 november 1823
toegewezen. Waarom hij de naam Willem Snoek kreeg vermeldt het
Proces verbaal niet, wel wat voor een kleertjes de baby aan had en
dal er bij het kind “geen berigt” was gevonden.
Zijn jeugd heeft Willem waarschijnlijk in het weeshuis
doorgebracht. Hij moet zich al heel vroeg voor de militaire dienst
hebben aangemeld, want begin 1848, toen hij nog maar net 24
jaar oud was, kreeg hij een onderscheiding van Koning
Willem II wegens 6 jaar trouwe dienst. Op het bewijs van goed
gedrag slaat dat hij 1 el, 5 palmen en 8 duimen en 2 strepen
groot was: niet bepaald een reus lijkt me, al zegt dat niet zoveel want 100 jaar later, tijdens mijn eigen militaire dienstplicht, waren de kleinste soldaten ook vaak de fanatiekste!

Afbeelding : Zakboekje van Willem Snoek uit 1866.(Foto : Collectie J. Bos).
Kort daarna moet hij naar Oost-Indië zijn vertrokken. Eind 1858.
toen hij korporaal was hij het Garnizoensbataljon in de Molukken.
kreeg hij al zijn volgende onderscheiding. Dit keer van Koning
Willem III voor 24 dienstjaren en daar moeten dus al heel wat
dubbel getelde jaren bij zijn.
De reis naar Indie duurde maanden in die lijd. Alles ging per
zeilschip en het Suez-kanaal was er nog niet. In Batavia (nu Jakarta)
aangekomen was het nog minstens een paar weken varen naar de
Molukken.
Hoe het leven van zo’n Nederlandse soldaat er uit zag, daar kunnen
we alleen maar naar raden. Maar dat het zonder koelkast, airco,
auto, telefoon en televisie in de tropen een lolletje geweest moet
zijn, dat lijkt mij niet. Maar ongetwijfeld was men toen blij met hele
andere dingen dan wij vandaag de dag.
Willem nam deel aan 2 “veldtogten”. Hij behaalde nog een bronzen
en een zilveren medaille en hij werd op 6 februari 1866 als sergant
weer op een zeilschip naar Nederland gezet en na aankomst eervol
gepensioneerd.
Familie had Willem niet, dus ging hij naar Bronbeek in Arnhem
waar zo vele “kolonialen” voor en na hem hun laatste jaren
doorbrachten. Hij zal zo’n mooi donker uniform hebben gekregen
met een hoge pet. Nog niet eens zo heel lang geleden kon je van die
oud-Indië gasten in Arnhem legen het lijf lopen.
Maar Willem Snoek, pas 43 jaar en vrijgezel met een voor die tijd
knap pensioen, bleek hele andere plannen te hebben. Hij wandelde
door stad en omgeving en kwam zo natuurlijk ook op de markt.

Mijn overgrootmoeder Jantje Beekhuizen was na een huwelijk van
maar een paar jaar weduwe geworden. Het viel in die tijd niet mee
om het hoofd boven water te houden, maar Jantje was een sterke
jonge vrouw. Bij haar tot woonhuis omgebouwde tabaksschuur bij
de Bellevue had ze een ruime moestuin, wat kippen, een paar
varkens en een geit. Ook verbouwde ze haar eigen aardappelen.
Eenmaal per jaar liep zij naar Arnhem met een oude kinderwagen
om op de varkensmarkt een paar biggen te kopen. Als die tegen het
eind van het jaar waren vetgemest, werd er één verkocht aan de
slager en de andere werd thuis geslacht voor eigen gebruik,
Dagenlang was men dan bezig met worst maken, spek roken en
vlees inzouten. Zo was er weer voor lange tijd vlees in voorraad.
Terwijl Jantje daar zo bezig was de keutjes in de kinderwagen onder
te brengen, kwam Willem Snoek in zijn nog nieuwe, mooie uniform
aanstappen en vroeg of hij een stukje kon helpen duwen. Mijn
overgrootmoeder vond dat best en …… … zo is het gekomen.
Bij de Koude Herberg vroeg Willem, of ze er al bijna waren, maar
Jantje vertelde dat Renkum nog wel zo’n 8 kilometer verderop lag.
Om op tijd voor het áppel op Bronbeek te zijn, moest Willem
rechtsomkeert maken maar hij vroeg of het goed was, dat hij gauw
een keer in Renkum langs zou komen. Jantje vond dat prima en na
dat eerste bezoek kwam hij vaker en op 12 september 1868
trouwden ze en werd de gepensioneerde sergeant inwoner van
Renkum. Ze kregen drie zonen: Willem, Hendrik en Jan Snoek.
Deze laatste was mijn opa.
Over het leven van Willem Snoek in Renkum is niet zoveel bekend.
Hij was een fervent pijproker (van die joekels van een meter lang)
en hij schijnt dat zelfs in de bedstee gedaan te hebben. De pijp hing
dan wel buiten de gordijntjes, mogen we aannemen.
Werken hoefde hij niet meer, al zal hij wel in de tuin een handje
hebben geholpen, of bij het voeren van de kippen en de varkens. En
misschien hielp hij wel eens bij één van zijn zwagers Beekhuizen,
die kleine bedrijfjes hadden.
Mijn Opa Bos vertelde wel eens, dat hij soms lange tijd aan de weg
stond te kijken, wat er zich rond de Bellevue afspeelde. En wie
weet, droomde hij dan wel van zijn Indische jaren. Dat heeft hij in
ieder geval dan nog bijna veertig jaar volgehouden, want pas op 1
juli 1907 overleed Willem Snoek en werd begraven op het oude
kerkhof Onder de Bomen.
Als je er over nadenkt, is het toch maar goed dat deze in Amsterdam
geboren Willem, via jaren in Indië en een tussenstation in Arnhem,
uiteindelijk in Renkum terechtkwam. Anders had ik u deze
geschiedenis nooit kunnen vertellen, nietwaar?

Geef een reactie