Frederiksoord-kolonistenvrouw-met-bestedeling-in-de-voorgeschreven-kleding-1819-Cover-van-L-Lambregts-Willem-en-Marianne-der-Nederlanden-uitgave-2001

Willem Snoek

Door Fien Bos en Fien Peelen in Echo’s van zes dorpen 2018.3

Haar overgrootvader, van moeders-vaderskant, heette Willem Snoek, een welbekende naam in Renkum. Toch komt de naam van deze overgrootvader helemaal ergens anders vandaan. Dat verhaal hebben Fien Bos en Fien Peelen onderzocht en zij geven hiervan een samenvatting.

Het formele bestaan van “onze” Willem Snoek begint met het Proces Verbaal, op 25 november 1823, van een vondeling te Amsterdam. Voor de leesbaarheid is dat op de volgend pagina uitgetikt, een aandoenlijk document.Als de schatting van “agt dagen” correct is, is de baby dus op 17 november 1823 geboren en gevonden door een metselaar die niet kon schrijven.

Op dezelfde dag (25-11-1823) werd baby Willem “uitbesteed” aan de minnemoeder Catrina Sacklee, Passeerderstraat 9, Amsterdam. Op 29 november 1823 werd Willem ingeschreven in het geboorteregister van de stad Amsterdam.

De Namen van vondelingen

Maarten van der Meer schreef in Genealogie 2013 (Nr. 19, pp 8-11) een artikel over De namen van vondelingen. Daar lezen we: o.a.”Omdat bestaande familienamen om begrijpelijke redenen vermeden moesten worden, was de vinder of ambtenaar die het kind registreerde aangewezen op zijn eigen fantasie, wat soms zeer merkwaardige namen opleverde.

Voornamen: De voornaam was minder problematisch. Vaak schreven de ouders deze op een briefje dat ze bij hun kind staken en anders bood in katholieke streken de dagheilige uitkomst. De voornamen van vondelingen zijn grofweg te verdelen in twee categorieën. “Opgelegde namen” zijn door de ouders zelf opeen briefje geschreven. “Logische namen” verwijzen naar de vondeling zelf, bijvoorbeeld naar de heiligendag waarop het kind te vondeling is gelegd, naar de vinder of naar een verzorger. Geen van deze 2 opties lijken van toepassing op “onze” Willem.

AALMOEZENIERSWEESHUIS DER STAD AMSTERDAMPROCES-VERBAAL N18      Litt P Op heden den Vijfentwintigsten november  1823 S’avonds   te ½ negen ure  is door Johannes  Oosterhoud Gebracht  aan Paulus  Hendricus Pijpers waarnemende de functie van Poortier in het Aalmoezeniers Weeshuis dezer Stad, overgegeven, en is in hetzelve ingenomen een Kind, van het Manlijk  geslacht oud, na  gissing agt dagen ; aan hebbende De Volgende   kleederen, een  Hempje  een Borstrokje een Doekje  twee Mutsjes een Flapje een Japonnetje  twee Rode Baye  Luyersdoor denzelven  Johannes  Oosterhoud   gevonden alhier op de Prince Gragt  bij de Spiegel Straat op de stoep onder de  bank  voor  het Huys N S’avonds  te half Negen ure. Met geen  berigt: Zullende aan dit kind de naam gegeven worden van Willem  Snoek  waarvan dit Proces-Verbaal is opgemaakt, en door ons het voorschrevene op voorschrevenen dag, maand en jaar, is onderteekend. P:H:Pijpers  J.F. Rente Linsen  Regent van het Aalmoezeniers-Weeshuis te Amsterdam.Dit x is het merk van Johannes  Oosterhoud oud 29 jaar Metzelaar in de Palm Straat  tussen de Brouwers Gragt en Dwarsstraat N 46 bekend niet te kunne Schrijven

Achternamen: “Logische namen” verwijzen naar het kind zelf, of de omstandigheden waaronder het werd gevonden. In 2008 kreeg een jongetje dat werd gevonden langs het Wilhelminakanaal bij Oosterhout de naam Willem van Oosterhout.

“Fantastische achternamen” hadden niets te maken met het kind en getuigden vaak van weinig respect. In Amsterdam kwamen namen voor als Cornelis Strooppot, Antonia Aardbei, Dirkje Eijerkoek, Karel Krentebrood, Cornelia Sinaasappel, Hector Hippocrates, Dirk de Tweede en Abraham de Aartsvader. Wat dit betreft had “onze Willem” nog geluk. In het voorjaar van 1823 kregen de vondelingen in deze stad vogelnamen: Arend Eend, Johan Godtvriet Gans, Johannes Rijger, Wilm Zwaluw, Jansie Wilhelmina Valk, Jacob Kanarie. Blijkbaar waren in het najaar de vissen aan de beurt: “onze” Willem werd een “Snoek”.

Willem Snoek gedoopt

Op 30 november 1823 wordt Willem gedoopt in de Nieuwezijdskapel aan het Rokin door dominee Begeman in een hoogduitse dienst.

Na de alteratie van 1578 kwam de RK Kapel ‘De Heilige Stede’ (de heilige plaats) in protestantse handen. Zij gaven het de naam Nieuwezijdskapel. Deze was gevestigd aan het Rokin bij de Wijde Kapelsteeg. Sinds 1620 was de kapel bestemd voor Duitstalige gereformeerden. Het Aalmoezeniersweeshuis liet hier we-zen en vondelingen in groepsver-band dopen.

Amsterdam Nieuwezijdskapel, prent ca 1900, L.W.R. Wenckebach, Collectie Stadsarchief Amsterdam 

Opnieuw “uitbesteed”

Uitbestede kinderen werden waarschijnlijk tegen pokken ingeënt.. Op 4 en 14 februari 1825 is Willem gevaccineerd. Misschien was dit ook ter voorbereiding op de volgende uitbesteding die volgde op 22 april 1825. Willem ging toen naar de minnemoeder Hendrika Visbeek, wonende aan de Langestraat 27 in Amsterdam.

Dit blijkt uit het uitbestedingenboek van vondelingen naar minnemoeders is vastgelegd welke vrouw dergelijke kinderen te verzorgen kreeg. In het geval van “onze” Willem blijkt dat hij tenslotte is uitbesteed, op 9 juli 1828, Anna Onel wonende aan de Korte Lijdse Dwarsstraat in Amsterdam.

J.Th. Engels heeft een studie gemaakt van de weeshuizen in Nederland en schrijft daarover in zijn boek “Kinderen van Nederland” o.a. het volgende in het hoofdstuk “Van Aalmoezeniersweeshuis tot Inrichting voor Stadsbestedelingen”. Dat gaat over de periode die kort vooraf ging aan de geboorte van “onze” Willem. Zo te lezen was het maar goed dat hij niet 10 jaar eerder te vondeling werd gelegd. “Slechts één huis in Amsterdam neemt vondelingen op, het Aalmoezeniersweeshuis. Eerst gaat het nog om betrekkelijk geringe aantallen: in de eerste helft van de 18e eeuw gemiddeld 20 per jaar. Maar hier openbaart zich de nood aan het begin van de 19e eeuw: in 1808 zijn het er 540, in 1810 735 en in 1817 zelfs 855, terwijl er in dat jaar nog eens 240 verlaten kinderen worden opgenomen. Van die 855 overlijden er datzelfde jaar al 273, terwijl er in de negen volgende jaren nog 142 sterven, zodat bijna de helft het tiende levensjaar niet bereikt. Helaas geen uitzonderlijk verloop. … probleem is nog dat de Franse wetgeving de meeste inkomstenbronnen van het weeshuis (zoals we zagen vooral indirecte belastingen) drooglegt. Het huis sluit deze periode af met enige tonnen schuld. Zelfs voor het rijke, en veel minder belaste Burgerweeshuis zijn de lasten zo hoog dat de stadsregering van 1778 tot 1793 met totaal ƒ109.500 moet bijspringen, en van 1815 tot 1825 met nog eens ƒ180.000. …In 1824 worden de weeskinderen uit het Aalmoezeniersweeshuis onder dwang naar Veenhuizenovergebracht. Door die nood gedwongen schakelt het voormalige Aalmoezeniersweeshuis, vanaf 1828 de Inrichting voor Stadsbestedelingen, geheel over op uitbesteding van de kinderen bij gezinnen.

Naar Veenhuizen

Vanaf hun 6e jaar werden de kinderen van het Aalmoezenierswees-huis uitbesteed als “bestedeling” naar Veenhuizen. Dat gebeurde voor Willem, aldus het Uitbestedingsboek op 15 of 19 juni 1830. Hij was toen zes en een half jaar oud.

”De wees van Amsterdam” boekje door M C Rudolfs uitg. De Nieuwe Bibliotheek voor de Jeugd april 1993 Litho pp 29

“De reis zou met een beurtschip van Amsterdam over IJ en Zuiderzee naar Zwartsluis en vervolgens naar Meppel plaats heb-ben. Van Meppel zouden de kinderen in een snik (zoo heeten de Drentsche trekschuiten) langs de Smildevaart naar Assen en zoo langs de Kolonievaart naar Veenhuizen vervoerd worden” zo lezen we in “De Wees van Amsterdam”, een boekje, opnieuw uitgegeven na uit stoffige archieven opgediept” te zijn. Het geeft een goede indruk hoe het ‘reilen en zeilen’ in de Maatschappij omstreeks de jaren 1850 ging. Het is goed mogelijk dat “onze” Willem dezelfde reis heeft gemaakt.

In het bestedingenboek staat geschreven dat “onze” Willem in “Junij 1830 na Veenhuis” gaat. Op diverse websites van de Drenthse koloniën vinden we o.a. het volgende: “Generaal Johannes van den Bosch is oprichter van de Maatschappij van Weldadigheid. Niet alleen minister van Staat, vertrouwe-ling van Koning Willem I, Tweede Kamerlid en gouverneur generaal van Nederlands-Indië, maar ook een visionaire idealist die geloofde in de maakbare samenleving. Zijn gedachtengoed komt voort uit de Europese Verlichting. Nadat de Franse troepen van Napoleon uit ons land vertrokken waren, wilde Johannes van den Bosch een einde maken aan de verpaupering van met name de stedelijke bevolking. De kern van zijn oplossing bestond uit het bieden van huisvesting, werk, scholing en zorg binnen nieuw op te richten landbouwkoloniën in Drenthe.

Met carte blanche van Koning Willem I en diens zoon prins Frederik, die voorzitter en beschermheer van de Maatschappij van Weldadigheid wordt, sticht Johannes van den Bosch in 1818 de Proefkolonie Frederiksoord. Met veel steun uit zijn vooraanstaande netwerk in diverse steden in Nederland worden plaatselijke commissies gevormd, die geld zenden naar de Maatschappij van Weldadigheid en zorgen voor ‘opzending’ van armen naar de Koloniën. Tussen 1818 en 1840 telt de Maatschappij ca. 23.000 leden. Crowdfunding in 1818. (Bron: welkomtoenwelkomnu.nl)

In totaal richt de Maatschappij van Weldadigheid zeven Koloniën op. Proefkolonie Frederiksoord is de plek waar het bijzondere verhaal van de Koloniën van Weldadigheid is begonnen in 1818. Hier werden de eerste koloniehuisjes gebouwd, waar arme gezinnen uit de grote steden de kans kregen op een beter bestaan. Wilhelmina-oord (Kolonie II, opgericht 1820-1822) sluit aan bij de oudste vrije kolonie, Frede-riksoord. Ook Willemsoord ontstond in die tijd (Kolonie III, opgericht 1821-1823) als vrije kolonie. Het was best een hard bestaan, het leven van de vrijwillige kolonisten in Drenthe.

Het was hard werken, de dagindeling werd voor je bepaald, je was verplicht om naar de kerk te gaan en je was ook nog eens mijlenver van je familie verwijderd. Bovendien werd je bij terugkeer in de stad met minachting begroet. Niet zo gek dus dat de vrijwil-lige aanmeldingen na enige tijd uitbleven. De Maatschappij van de Weldadigheid ging daarom over naar gedwongen opnamen. En onder andere in Veenhuizen werd een dwangkolonie opgericht in 1823.

Veenhuizen vormde oorspronkelijk een veenontginningsdorp dat reeds wordt ge-noemd in 1381 als Veenhuysen. In 1823 veranderde het aanzien van het dorp volle-dig toen er drie grote gestichten voor bede-laars, landlopers en wezen werden gebouwd.

Bron: Wil Schackmann “De weeskinderen van de kinderkolonie in Veenhuizen (1824-1859).De Kinderkolonie.” Uitgave 2016.

In Veenhuizen was dus ook een kinderkolonie. Van Willem’s leven in Veenhuizen tussen 1830 en 1842 hebben we helaas nog niets persoonlijks kunnen vinden. “Op donderdag 19 februari 1824 de eerste 92 ‘wezen, vondelingen en verlaten kinderen’. Het zouden er 98 geweest zijn, ware het niet dat zes kinderen voortijdig weggelopen cq. ontsnapt waren. Op 28 februari arriveert een tweede groep van 52 kinderen in Veenhuizen. Ze hebben lekker de ruimte, aangezien het inwonertal van de kinderkolonie op 1200 is bepaald… De weeskinderen waren veelal te jong om te kunnen werken, dus lag het accent in het kamp op onderwijs en opleiding. Voor de wat oudere kinderen (van middelbareschoolleeftijd) was er vlak bij Veenhuizen – in Klein-Wateren – een stuk land beschikbaar met gebouw waar ze een agrarische opleiding konden volgen, maar ook een opleiding tot bijvoorbeeld boekhouder,” zo lezen we in het boek van Wil Schackman. Dit laatste is voor ”onze” Willem waarschijnlijk niet weggelegd geweest gezien de opmerking die we later lezen, nl. “dat hij gebrekkig leest en schrijft”. Ondanks de goede intenties en de nieuwe inrichting had hij het naarmate hij ouder werd waarschijnlijk niet echt goed in Veenhuizen.

Gretha Pama schreef in de NRC van 2016 o.a. het volgende:

“De overheid liet begin 19de eeuw armen, bedelaars en wezen werk verrichten in Drenthe. Vooral de wezen in Veenhuizen hadden het slecht. Bezuinigingen op weeshuizen moesten de economie opkrikken.

De kolonie Veenhuizen, drie gebouwen met slaapzalen van 4,7 bij 30 meter voor steeds 80 kinderen, huisvestte tussen 1824 en 1859 in totaal zo’n 8.600 wezen, op het hoogtepunt zaten er ruim 2.000. Zij werkten voor de kost, en leerden al doende voor landarbeider, dienstmeid of, vanaf het moment dat Veenhuizen een stoomspinnerij kreeg, voor fabriekswerker. Goede bedoelingen, zou je kunnen denken, en zo begon het plan ook. Maar aan de samenstelling van het aardappelbrood, een uitvinding van Johannes van den Bosch van de Maatschappij van Weldadigheid, valt ook de neergang van Veenhuizen af te lezen. Zo constateert een inspecteur al in 1829 dat voor het brood gebruik wordt gemaakt van de goedkoopste en slechtste soort aardappelen. Zolang de kinderkolonie bestaat is er kritiek op geur, kleur, smaak (‘een zeer fies en walgelijke spijze’) en samenstelling. ‘Was dat wel brood? Wat waren dat voor stukken die zich erin bevonden?’ schreef een wees later.

Al in 1827 tekende adjunct-directeur Jannes Poelman op dat van de dan aanwezige 1.142 wezen er 579 niet kunnen werken omdat ze ‘wegens hunne jonge jaren of lig-chaamsgebreken geheel onbekwaam zijn tot eenigen arbeid.’” (NRC 28-10-2016).

We zien hieronder dat Willem klein was, maar wel geschikt voor “landwerk”.

Willem Snoek wordt militair

In 1842 wordt Willem, door de Regenten over de Stadsbestedelingen,  ingeschreven in het Lotingsregister voor de Nationale Militie te Amsterdam. Willem blijft buiten dienst omdat hij te klein is. Met aantekening: 1 jaar.

Regenten Als vondeling kreeg je je naam van regenten,
de heren kwamen daarvoor wekelijks bijeen.
In het weeshuis sloegen ze niet op je tenten,
men gaf je aan drie minnenmoeders te leen. 
En toen je zes was achtten ze de tijd gekomen
voor opzending naar het weldadige Veenhuizen.
Het schip voerde je door grachten en sluizen,
heeft iemand je toen bij de hand genomen? 
Je blijft er heel je kindertijd en jonge jaren,
totdat het tijd wordt voor de Nationale Militie.
Regenten bepalen dan nog steeds je leven. 
Je gaat in dienst en dankzij tropenjaren,
kun je nog beginnen aan een normaal leven,
los van regenten, met vrouw en zonen: drie! 
Fien Peelen – Sonnet 771.Regenten – 17-11-2009 

In 1843 dient Willem een verzoek in tot ontslag uit Veenhuizen. Hij zegt te zullen “tragten een boerendienst te be-komen.” De Directie acht hem wel in staat om met landwerk zijn onderhoud te verdienen. Bij zijn staat van geestelijke ontwikkeling vermeldt men, dat hij gebrekkig leest en schrijft. Maar dan wordt Willem toch wel gedesigneerd (aangewezen) door de Militieraad en op 7 april 1843 wordt hij ingelijfd bij het 8e Regiment Infanterie Provincie Noord-Holland. Op 5 mei 1843: Willem gaat over naar het 6e Regiment Infanterie Provincie Noord-Holland.

Op 6 mei 1843, op wordt op de Ontslag en Kledingstaat van Veenhuizen vermeld  dat Willem op 17 april is ingenomen en op 6 mei weer is afgegaan, omdat hij in militaire dienst is getreden. 1 Oktober 1843 is pas de officiële ontslagdatum uit Veenhuizen door attestatie van Veenhuizen.

Naar Amsterdam

Per 15 juni 1843 is Willem Snoek in Amsterdam als lidmaat der Nederduitsche Hervormde Kerk ingeschreven. Hij bleef nog steeds onder toezicht van de Gemeente Amsterdam en moest zijn dienstplicht in de provincie Noord-Holland vervullen. De gemeente meldde hem in 1842 aan voor de Nationale Militie (aanmelding was verplicht). Hij werd toen nog niet ingeloot wegens ’te klein’ en ging weer terug naar Veenhuizen. Daar heeft hij toen al aangevraagd om er te mogen vertrekken en de regenten van Veenhuizen dachten dat dit mogelijk zou zijn. Maar hij moest eerst nog opnieuw beoordeeld worden voor de Nationale Militie. Dat gebeurde in 1843. Hij werd toen wel gedesigneerd (aangewezen) voor de dienst. Toen verhuisde hij en werd administratief vanuit Veenhuizen uitgeschreven naar Amsterdam naar het Huis van de Stadsbestedelingen. Dat was zijn thuisadres (opnieuw) vanaf dat moment. Hij voldeed vervolgens aan zijn dienstplicht tot 4 mei 1849. En kreeg daarvan een paspoort mee (werd gepasporteerd). Daarna heeft hij zich vrijwillig gemeld voor dienst in het Nederlandsch Oost-Indisch Leger en heeft gediend in Batavia en op de Molukken, eerst als corporaal, later als sergeant. Tropenjaren telden dubbel dus de gepensioneerde was nog niet zo oud. Na zijn pensionering keerde hij naar Nederland terug en vestigde zich in Bronbeek. Dit lag ook voor de hand omdat hij een vondeling was zonder familie om naar terug te keren.

In het extract uit het Algemeen Stamboek staat ook zijn signalement:
Aangezigt:                             ovaal

Voorhoofd:                             rond

Oogen:                                    blauw

Neus:                           gewoon
Mond:                                     idem
Kin:                                        rond
Haar:                                       bruin
Merkbare teekenen:              geen

Lang:                  1,614

Naar Nederlandsch Indië

Op 20 mei 1849, tekent Willem voor zes jaar als vrijwilliger voor het Nederlands Oost-Indisch Leger bij het Koloniaal Werfdepot.

Op 6 september 1849 vertrekt Willem vanuit Nieuwe Diep aan boord van het schip Johanna Maria Christina. Hij kom aan op 23 december 1849 in Batavia. Op 24 september 1855 blijkt hij gegageerd voor zes jaar, bij het Garnizoensbataljon in de Molukken.  Op 30 maart 1857 is hij bevorderd tot korporaal en op 8 januari 1864 bevorderd tot sergeant.

Vanaf 6 februari 1866 is hij gegageerd met fl. 211,– per jaar. Maar op 16 september 1866 blijkt hij inge-schreven in Bronbeek in het Koloniaal Militair Invaliden Huis te Velp. Blijkbaar was hij gewond of ziek, maar vijf maanden later, op 22 febru-ari 1867, wordt hij op eigen verzoek ontslagen uit Bronbeek.

Willem Snoek in Renkum

De familieoverlevering vertelt: “Jantje Beekhuizen uit Renkum was in Arnhem op de markt om een jonge big te kopen. Met het varken in de kinderwagen kwam ze W. Snoek tegen, die met haar in gesprek ging. Volgens mijn moeder liep Willem een eind mee richting Renkum. Opeens vond hij het toen wel erg ver en ging terug. Ze hebben wel contact gehouden, want er volgde een huwelijk. Hoe zou zo’n contact verlopen zijn? Een raadsel.”

Renkum, Groenendaalseweg 10, bij woonhuis Jantje Beekhuizen. Vlnr. Staande: Herman Engelmann, Paula Bos-Snoek, opa Jan Snoek achter zijn moeder Ja(a)ntje Beekhuizen, tante Dina Engelmann-Snoek, de oudste zus van Paula. Foto ca 1925. Collectie Fien Bos

 Op 12 september 1868 trouwt Willem (44) in Renkum met Jantje[1] Beekhuizen (32). Een jaar la-ter, op 21 september 1869, wordt zoon Hendrik geboren in Renkum (Hendrik overlijdt in Arnhem op 29 oktober 1936, 67 jaar oud). Uit een familiedocument blijkt het echtpaar intussen, op 29 juni 1869, een wo-ning te hebben gevonden: een “hof-stede, woonhuis met erf en bouwland aan de Molenweg, deels aan de Kloosterkamp. Gr. 27 roeden, 50 ellen Sectie ed. br. 346.347 G.v.d. kolk. 85 gulden per jaar.” Gehuurd blijkbaar. Als we aannemen dat in Renkum de Rijnlandse roede gangbaar was (14,19 m2) dan had Willem dus ca 400 m2 grond. Een klein tuintje waar wel wat groenten in te verbouwen waren zal naast het huis wel beschikbaar zijn geweest. In Veenhuizen had Willem ongetwijfeld wel geleerd hoe dat moest en (gezien de big) wist Jantje dat ook wel. Wie wist trouwens in die tijd niet hoe je groenten moest verbouwen? Beiden waren van eenvoudige komaf.

De vraag is of ze goed rond konden komen van Willem’s pensioen en van dat tuintje. Er kwamen in totaal 3 kinderen. Kort vóór zijn pensionering was hij gegageerd met fl. 211,–  per jaar. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg.nl) biedt een leuke berekeningsmogelijkheid:“fl. 211,- in het jaar 1868 heeft een “koopkracht” van  € 2.155,12 in het jaar 2016”, zo lezen we daar. Dat lijkt niet gek, maar was zijn pensioenuitkering gelijk aan zijn gage? We vroegen aan Bronbeek hoe dat ging in het algemeen. Wij vroegen: “Onze vragen zijn van algemene aard:

1. Waarom kwam een soldaat uit Oost-Indië in het invalidenhuis? Willem had daar gediend sinds 1849. Hij ging blijkbaar al met pensioen, zo blijkt uit latere documenten. Tropenjaren telden dubbel. Maar waarom kwam hij dan in het invalidenhuis? Kon dat zomaar of was hij (ook) gewond?

2. Kon iemand leven van z’n pensioen? We vinden (nog) niets over zijn werk in Renkum, alleen dat hij een “gepensioneerde militair” was. Hij was in 1866 gegageerd met fl. 211,- per jaar. Hoe hoog zal dan zijn pensioen geweest zijn vanaf 1867? Na zijn huwelijk kreeg hij 3 kinderen.”

J. ( Jonathan) Verwey, MA, Hoofd Kenniscentrum van het Koninklijk Tehuis voor Oud Militairen en Museum Bronbeek aan de Velperweg in Arnhem, antwoordde het volgende:

“1. Militairen die uit Indië terugkwamen en terecht kwamen in een invalidenhuis (Bronbeek was in de 19e eeuw niet het enige invalidenhuis), waren soms inderdaad gewond en daadwerkelijk invalide. Maar de meesten waren meestal te oud voor militaire dienst, in die zin met pensioen, en keerden naar Nederland terug zonder dat ze hier iets hadden: geen vrouw of kinderen, geen huis, geen vast inkomen. Dat betekende dat velen van hen een invalidenhuis als uitkomst zagen in de eerste periode na terugkeer. Het was een plek om even uit te rusten en om van daaruit een nieuw leven op te bouwen. Het lijkt erop dat jullie Willem dat ook gedaan heeft. Hij heeft maar kort op Bronbeek gewoond en is daarna verhuisd naar Renkum en getrouwd. In de eerste jaren was de gemiddelde leeftijd van de meeste militairen overigens onder de 50 jaar en de oud-militairen bleven gemiddeld niet langer dan 3,4 jaar op Bronbeek. Willem past in dit beeld.

2. Ja, iemand kon wel (frugaal) leven van zijn pensioentje als KNIL-militair. Maar velen lukten dat ook niet, voor hen was het sappelen. Velen bouwden schulden op of hadden drank of gokproblemen en konden derhalve nauwelijks rondkomen. Voor die militairen was Bronbeek ook een uitkomst, al dan niet tijdelijk. Ook Willem zal niet rijk zijn geweest, zeker omdat hij nog een gezin met drie kinderen moest onderhouden.

Ik hoop dat ik u hiermee voldoende geïnformeerd heb. Met vriendelijke groet, Jonathan”. Maar zij waren niet voor één gat te vangen: Jantje Beekhuizen had inkomen als naaister (jasjes verstellen e.d.). Toen haar kleindochter Paula terug was uit Duitsland onderhield zij zelfs Paula nog enige tijd terwijl zij al 80 was.

Opa Jan Snoek en tante Cor Snoek-van Gelder met jonge oom Albert Snoek. Rechts vader Bertus Bos en moeder Paula Bos-Snoek. Foto ca 1925 Collectie Fien Bos 

Haar zoon Jan werd op 16 september 1871 geboren in Renkum. (Jan overlijdt in Renkum op 24 oktober 1936, 65 jaar oud). Jan Trouwde met Grietje Cornelissen uit Ede, op 4 ok-tober 1890, beide op 19-jarige leeftijd. Hun dochter Paula (geb. 1905) is de moeder van Fien Bos. Maar Grietje stierf al jong, in 1908, dus op 36 jarige leeftijd. Jan hertrouwde in Essen, op 14-10-1911 met Anna Merck.

Op 17 oktober 1878 is de geboorte van zoon Willem in Renkum.  (Willem overlijdt in Renkum op 10 juli 1918, 49 jaar oud)

Op 1 juli 1907 overlijdt Willem Snoek sr. te Renkum, 83 jaar oud.

Op 29 november 1925 overlijdt Jaantje Beekhuizen te Renkum, 90 jaar oud.


[1] In de diverse documenten is steeds verwisseling tussen Jaantje en Jantje.

Travelers’ Map is loading…
If you see this after your page is loaded completely, leafletJS files are missing.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *